Lettergrootte   A A A

Adam Widenfeld

'Monita Salutaria'

                        Het pamflet van Adam Widenfeld over Mariaverering

Uit het Latijn vertaald door Wiel Logister

 

1. Ik ben de Moeder van de schone liefde.

            Zoek altijd je kracht in de Heer, houd je aan hem vast, dan maakt hij je sterk (Sirach 24,24). Er is geen schone of welluidende lofprijzing in het hart van de zondaars (Sirach 15,9; Wijsh 1,4). Zij die niet aan God behagen, houden tevergeefs van mij; ze behagen ook mij niet. Ik wil slechts vereerders die mij navolgen. Beschouw mij niet als de toevlucht van onboetvaardige zondaars. Als je mij vereert, doe dan wat ik bovenal graag zie: bemin de Heer, je God, met heel je hart, heel je ziel en met heel je kracht (Deut 6,5).

2. Vertrouw niet op elke geest; onderzoek eerst of een geest uit God is (1 Joh 4,1). Onderzoek of een bepaalde geest overeenstemt met God, en geloof niet alle verzinsels die op zogenaamde verschijningen berusten. Loop niet achter allerlei verhalen aan die de ronde doen over verschijningen, openbaringen, weldaden en privileges van mij. Niemand van jullie moet geloven dat ik vereerders van mij uit de hel haal om alsnog boete te doen. En ook niet dat ik hen bij het oordeel verdedig vanwege hun dorre en korte devoties jegens mij.

3. Ik ben de Moeder van de schone liefde

De liefde voor mij is niet volmaakt zonder de liefde voor God die mij heeft geschapen. Alleen de liefde voor God onderscheidt de kinderen van God van de kinderen van de duivel (Augustinus). De uitverkorenen zijn slechts uitverkoren om gelijkvormig te worden aan het beeld van de Zoon van God (Rom 8,29). Zij die toebehoren aan Jezus Christus, hebben hun vlees met hun passies en ongeregelde verlangens gekruisigd (Gal 5,24). En zij die hun vlees niet hebben gekruisigd, behoren niet tot Jezus Christus en derhalve evenmin tot mij, ook al doen ze allerlei uiterlijkheden ter ere van mij.

4. Voor zondaars is er geen privilege dat hen redt uit de eeuwige vlammen, ook al geven ze voor dat ze behoren tot mijn vereerders Als jullie niet tot inkeer komen, zul je allemaal omkomen (Lc 13,3), of je mij nu vereert of niet.

            Nooit in der eeuwen is gehoord dat een onboetvaardig iemand door mij is bevrijd. Noch dat zo iemand is geholpen door bepaalde formules en gebeden te herhalen of door bepaalde tekenen of vroomheidsdaden te doen, zoals lid worden van bepaalde broederschappen of verenigingen.

            Wacht je voor de valstrik van de duivel die, onder voorwendsel van een gemakkelijke en simpele uiterlijke vroomheid, de zondaars ervan wil overtuigen dat ze wel goed zitten en  niet hoeven mee te doen met penitentie en versterving van het vlees. Als ze maar vertrouwen dat ze dankzij de goddelijke barmhartigheid en mijn voorspraak niet verloren gaan. Pas op voor de valstrik van de duivel die de zondaars ervan wil overtuigen dat een gemakkelijke en eenvoudige uiterlijke oefening voldoende is en dat ze niet hoeven over te gaan tot echte boetedoening en versterving.

            Ik zal zulke onechte vereerders bij het oordeel niet verdedigen. Veeleer zal ik hen aanklagen vanwege het onrecht dat ze mij aandoen, omdat ze mij bestempelen als de patrones van hun onrechtvaardige en goddeloze zaak en als iemand die onboetvaardigheid beloont. Denk niet dat ik medelijden heb of meehuil met hen die door mijn Zoon worden veroordeeld. Zijn wil is ook de mijne. Ik keur Zijn rechtvaardig oordeel goed. Met Hem zal ik lachen om hun ondergang (Spr 1,26) en degenen honen die de rietstok voldoende achten en menen dat uiterlijke vroomheid volstaat. Terecht zegt de Rechter over hen: “Ze hebben mij, de bron van levend water, verlaten en kelders vol scheuren uitgehouwen waarin het water niet blijft staan” (Jer 2,13).

 5. Mijn Zoon heeft jullie gezegd: “Niet iedereen die tot mij zegt ‘Heer, Heer, zal binnengaan in het rijk der Hemelen; alleen wie handelt naar de wil van mijn hemelse Vader. Denken jullie dat het hen beter vergaat wanneer ze mij aanroepen als “Onze Lieve Vrouw, Onze Lieve Vrouw”’? Geloof er niets van. Al spreekt iemand de taal van mensen of van engelen, als hij de liefde niet heeft, is hij als een galmend bekken of een schelle cymbaal. Zo ook als een van mijn engelen mijn lof bezingt, maar de liefde niet heeft. Dan is hij niets (1 Kor 13,1-2).

6. Ik ben de Moeder van de schone liefde.

Er bestaat geen schone liefde en oprechte lof, als niet alle eer aan God wordt bewezen. Alleen Hem komt lof, eer en glorie toe (1 Tim 1,17). Ik zoek niet mijn eigen eer (Joh 8,50), maar de eer van Hem die mij heeft geschapen en verlost.

Als de glorie die mij wordt bewezen, niet op de eerste en voornaamste plaats aan God wordt gegeven die mij alles heeft gegeven wat ik heb, geldt die lof niet mij. Het is laakbaar gedrag. De lof die puur en alleen aan mij wordt bewezen, stelt niets voor (Augustinus). Hij is slechts heilig als hij mij wordt toegekend als Moeder en Dienstmaagd van de Heer.

Ik leg mijn kroon voor de voeten van het Lam (Openb 4,10), ook al is hij de meest kostbare van alle kronen. Ik weet dat ik uit mezelf niets voorstel; ik ben slechts een onnutte dienstmaagd zoals jullie (Openb 22,9).

Als jullie mij loven en prijzen, begin dan met God te prijzen die heeft neergezien op de nederigheid van zijn dienstmaagd en in zijn almacht aan mij grote dingen heeft gedaan (Lc 1.48-49).

Als je mij aanroept, vraag dan dat ik door mijn gebeden God smeek om jou van je fouten en gebreken te bevrijden.

 7. Verdeel je hart niet en bemin mij niet buiten God om, maar enkel omwille van God. Ik wil niets aan God onttrekken of tussen God en mij verdelen. God is oneindig en oneindig beminnenswaardig. Hij vraagt al je liefde, grenzeloos. Je moet mij niet vereren, alsof God niet voldoende voor je is. Werp die gedachte ver van je af. Als je God bezit, heb je geen behoefte aan iets anders. In God heb je alles. Als je mij zou bezitten zonder God, zou je niets hebben. Zeg niet dat je wanhoopt als je mij niet hebt. Vertrouw op Christus die niemand doet wanhopen.

 8. Eer mij niet zo, alsof het onmogelijk is naar God te gaan via Jezus Christus zonder mij. Er is immers slechts één God en één middelaar tussen God en de mensen: Jezus Christus (1 Tim 2,5). Jullie hebben Jezus Christus als middelaar tussen God en de mensen (1 Joh 2,1). Hij pleit voor ons aan de rechterhand van de Vader (Rom 8,34). Hij is de deur, de waarheid en het leven; niemand komt tot de Vader dan door hem (Joh 10,7; 14,6).  Aan hem is de macht gegeven in de hemel en op aarde, niet aan mij (Mt 28,18). Door niemand anders kunnen wij gered worden, want geen andere naam is aan de mensen gegeven dan die van Jezus Christus, zijn Zoon (Hand 4,12) Hij is de Alfa en de Omega, het begin en het einde (Openb 1,8). Jezus Christus alles in allen (Kol 3,11). Vereer mij niet als een tweede godheid.

 9. Als men mij Middelares of Advocaat noemt, is dat niet in dezelfde zin als wanneer men mijn Zoon zo noemt. Hij is de Middelaar van het nieuwe verbond (Hebr 9,15). Hij heeft door zijn verdiensten aan God behaagd. Hij alleen heeft vrede gesticht tussen God en de mensen (Kol 1,20). Hij alleen heeft de perskuip getreden, zonder dat iemand uit de volken hem heeft geholpen (Jes 63,3).

            Derhalve mag niemand dit aan mij toeschrijven. Ik heb immers de Allerhoogste niet behaagd, behalve in Christus en door Christus, mijn verlosser en redder. Ik ben niet voor jullie gestorven en jullie zijn niet in mijn naam gedoopt (1 Kor 1,13).

 10. Als je mij bemint en vereert als je advocaat bij God, is dat goed; mijn gebeden zijn immers van veel waarde. Wacht je er echter voor uit overdreven en excessieve ijver iets aan mij toe te kennen wat we alleen aan God of Christus verschuldigd zijn.

            God is een zeloot die zijn glorie niet aan iemand anders geeft of besluit te geven. Pas op, dat je God niet iets ontzegt om mij te eren, zoals de Collyridianen doen. Zeg bijvoorbeeld niet dat ik almachtig ben, en noem me niet verlosseres of medeverlosseres. Beweer niet dat God niet in staat was of is om een schepsel te maken dat mij overtreft. De macht van God is onuitputtelijk.

            Zeg ook niet  dat het goddelijk tribunaal een appel doet op mij of het goddelijk imperium verdeelt tussen Christus en mij. Hou je ver van zulke lofprijzingen, ook al excuseer je je er gemakkelijk voor. Ik stel geen behagen in zulke buitensporige lofredes en nutteloze vleierijen. Als je me prijst, doe het eenvoudig en simpel, ondubbelzinnig zonder overdrijving.

            Voorkom dat eenvoudige en ongeletterde mensen in dwaling vervallen; geef geen aanstoot aan de ketters en bevestig hun opvattingen (over katholieken) niet. Bezorg de kerk geen slechte naam, alsof ze mij vereert als een valse godheid. Zie af van overdreven spreekwijzen en gebruik bepaalde uitdrukkingen van heiligen niet zomaar door elkaar. Wees voorzichtig en terughoudend en gooi geen olie op het vuur.

 11. Plaats me niet op de hoogte van God of van Christus. Mijd vergelijkingen over het eindige en het oneindige. Ik ben de Morgenster, maar niet te vergelijken met de Zon der gerechtigheid. Ik ben zijn Troon en zijn Huis, maar degene die in de tempel woont is groter dan de Troon. Groter dan het Huis is degene die het heeft gebouwd. Elk schepsel, hoe excellent ook, is niets in vergelijking met God. Waarom vergelijk je een niets met de oneindige Majesteit?

 12. Zeg niet dat Christus een strenge rechter is, en dat je bij mij moet zijn om barmhartigheid te vinden. Of dat Hij de gerechtigheid voor zichzelf heeft gereserveerd en mij de erbarming heeft toebedeeld. God is een volkomen eenvoudig wezen, Hij is ondeelbaar. Ik bezit de barmhartigheid slechts dankzij hem en volgens zijn welbehagen.

 13. Hij is de onuitputtelijke bron van alle barmhartigheid en genade. Hij ontvangt zondaars en eet met hen (Lc 15,2) Hij is gekomen om te zoeken en te redden wat verloren was (Lc 19,10). Hij is voor jou in dit leven geen strenge rechter, want hij is niet gekomen om de wereld te veroordelen, maar om haar verlosser te zijn (Joh 3,17). Hij is jouw broer geworden. Die bestond in de gestalte van God, heeft zich ontledigd en de gestalte van een slaaf aangenomen (Fil 2,7): uit de hoogste hemel is hij tot de diepe smaad van het kruis neergedaald.

            Hij is van de aarde omhoog geheven om alles naar zich toe te trekken (Joh 12,34). Niet om uit schaamte zijn nederigheid en zijn goedgunstigheid te verbergen of zich te onttrekken aan elke toenadering.

            Treed dus met vertrouwen toe tot de troon van de genade (Hebr 4,16); moge niets je verhinderen tot hem te naderen. Als je bevreesd bent, zal ik je leiden en voor je bidden. Maar ik wil niet dat je aan mij blijft vasthangen.

 14. Je moet mij niet zachter en gevoeliger beminnen dan God. En niet meer vertrouwen in mij stellen dan in God. Besteed niet meer tijd en gebeden aan mij dan aan God: dat past mijn vereerders niet.

            God moet voor jullie alles in allen zijn. Alles wat je kunt door lief te hebben en te bidden, doe het op de eerste plaats in dienst van God, want je bent geschapen om Hem te beminnen boven alles. Ik ben niet het einde, maar het milieu van je gebeden en je liefde: stop niet te zeer in dat milieu, haast je naar God toe.

 15. Ik ben de Moeder van de schone liefde.

De schone liefde is het domein van kinderen, niet van slaven. Noem je dus niet mijn slaven. Alleen aan de Schepper God en aan de Verlosser Christus kun je volledig toebehoren. Of weet je niet dat de Heer macht heeft over leven en dood en dat Hij gaat over vrijheid en bezit? Dat komt alleen aan God toe.

            Jullie zijn niets waard, maar de Zoon Gods heeft zijn bloed voor jullie gegeven (1 Kor 7). Wordt dus geen dienaren van mensen. Wees vrij met de vrijheid waartoe Christus je heeft bevrijd (Gal 4). Als je inderdaad niet mijn slaven bent, waarom loop je dan rond met slaafse titels en tekens? De wereld houdt van kruiperigheid, ik niet.

            Je moet me vereren door mij te eerbiedigen, zoals de heiligen, met liefde en gemeenschapszin. Maar enkel aan God komt aanbidding toe; die vorm van dienstbaarheid past bij Hem. Pas op dat je verering van mij niet omslaat in aanbidding. Dan verstoot je tegen een goddelijk gebod. “De Heer uw God moet je aanbidden en Hem alleen dienen” (Mt 4,10).

 16. Ik ben de Moeder van de schone liefde.

De schone liefde is welgeordend. Denk dan ook niet dat je me juist bemint als mijn beelden met rijke kleren en kettingen blinken, terwijl Christus in de armen honger en kou lijdt. Nooit is iemand aangeklaagd omdat hij de kerken niet heeft versierd. Maar wie geen mededogen met de armen heeft, wordt bedreigd met de straf van het vuur dat nooit zal doven (Johannes Chrysostomus).

            IJdelheid der ijdelheden! Even dwaas is deze ijdelheid: de muren van de kerk en de beelden zien er schitterend uit, maar zij lijdt in haar armen (Bernardus). Haar muren zijn  bedekt met goud, maar haar kinderen lopen naakt rond, blootgesteld aan de nukken van het weer. Ik zeg dit niet om het gebruik van vaatwerk en kostbare ornamenten te veroordelen, maar je moet vooral barmhartigheid beoefenen (Johannes Chrysostomus). Ik prijs je toewijding, als je iets geeft om de kerken mooier te maken, wanneer dat nodig is. Maar ik verlang vóór alles, dat je ervoor zorgt dat Jezus Christus gekleed gaat in de armen. En ook dat je Christus naar behoren tooit in het aanbiddenswaardig mysterie van zijn heilig lichaam dat wordt bewaard op jullie altaren.

            Dit  vraagt vóór alles jullie respect en jullie offers. Eerbiedig met zorg Jezus Christus, in wie Gods luister schittert (Heb 1,3), het levende beeld van de onzichtbare God, meer dan het dode beeld van een schepsel. Of denk je dat ik meer genoegen heb bij het zien van mijn beelden die verlicht zijn door veel fakkels, terwijl de tabernakels waarin het heilige lichaam van mijn Zoon rust worden verwaarloosd en bedekt zijn met stof? Let erop dat in al die versieringen niet zozeer jullie eigen wil en uw eigen vertrouwen wordt gevonden, maar de eer van God, mijn geliefde.

 17. Ik ben de Moeder van de schone liefde.

Er is geen sprake van schone liefde in het geval van een niet-redelijk schepsel. Stel niet, zoals het geval is bij heidenvolken, vertrouwen in beelden en voorstellingen van mij (zegt Trente). Daar zit geen deugd in. Beelden van steen en hout zijn slechts voorstellingen en tekenen. Allen die op hen vertrouwen, worden aan hen gelijk. Denk niet dat ik donker of zwart ben. Noch dat iets of iemand verandert naargelang de kleur waarin hij gekleed gaat

Richt je niet op materiële objecten. Daar zit geen deugd in; en denk niet dat het ene kapelletje beter is dan het andere. Meen niet dat ik hier anders ben dan daar, anders in Montserrat dan in Scherpenheuvel. Ik ben overal dezelfde. Wedijver niet  voor deze of gene figuur, voor deze of gene plek. God alleen weet waarom hier meer wonderen gebeuren dan elders. En als dat het geval is, schrijf het eerder aan God toe dan aan mij. Hij immers doet grote wonderen, geheel alleen. Bij hem is genade te vinden, niet bij de landman die plant. Noch doet dat degene die besproeit, maar hij die groeikracht geeft: God (1 Kor 3,6). Hij die zulke macht aan mensen heeft verleend (Mt 9,8), moet hooggeëerd worden.

18. Ik ben de Moeder van de schone liefde.

Er bestaat geen schone liefde als er sprake is van strijd. Redetwist niet over woorden en vecht niet met elkaar over mijn voortreffelijkheden en voorrechten. Dat is nergens goed voor en leidt er slechts toe dat de toehoorders verloren gaan (2 Tim 2,14). Luister niet naar leeg gezwets, maar naar het Woord des Heren. Laat je niet in met zaken die de Heer niet heeft geopenbaard en de kerk niet heeft gedefinieerd. Verkondig alleen de waarheid; luister niet naar zinloos en leeg gezwets (2 Tim 2,15). Gelukkig wie met de Apostel zegt niets te kennen dan Jezus Christus, de Gekruisigde (1 Kor 2,2). En wie vertrouwd is met deze woorden: “Aan de koning der eeuwen, de onvergankelijke, onzichtbare en enige God, zij eer en glorie” (1 Tim 1,17). Amen.

Gebed

Heilige Maria, Moeder van God, ik roep U aan en vraag U: smeek in uw lofprijzingen dat de Almachtige mij de genade van uw geliefde Zoon schenkt. In mijn zwakheid vermag ik dat niet. Moge ik God leren kennen als de Vader, bron en schenker van alle goed. En doe mij Jezus Christus, zijn Zoon en onze middelaar, kennen, beminnen en met heel mijn hart dienen. Ik weet dat dit uw enig verlangen is en dat u niets anders zoekt. Moge God in alles verheerlijkt worden door Christus, onze Heer. Amen