Page 144 - geschiedenis
P. 144

130 SMM in Indonesiƫ 1939-2005
boomschors. De goede en permanente gebouwen in Sedjiram, Bika en Benua Martinus waren erfenissen uit de kapucijnentijd. Deze drie plaatsen beschikten over een rubbertuin waarvan ze inkomsten hadden. In de begintijd der montfortanen kon Sedjiram opgebouwd worden dankzij de opbrengst van de rubbertuin, die gerund werd door broeder Stephan van de Berg.
Vanwege gebrek aan fondsen hadden de missionarissen geen eigen vervoer, voor hun reizen naar de dorpjes waren ze aangewezen op handels- bootjes of gingen ze met een bootje dat ze zelf of met behulp van iemand roeiden. De eerste buitenboordmotor of out-board kwam in 1961. Het was een grote vooruitgang, maar tegen de zin van Mgr. van Kessel. "Benzine slurpers", werden ze door monseigneur genoemd. De benzine was duur, bovendien vaak moeilijk te krijgen en als je er vond was ze vaak vermengd met petroleum. De kas van het bisdom was meestal leeg, soms zelfs zo leeg dat men op een zeker moment niet in staat was een strategisch gelegen stukje grond te kopen. De aangeboden grond grenzend aan het bisdom was te koop voor het kleine bedrag van 200 roepia. Men had het niet en kon ook geen geld lenen op een bank, eenvoudig omdat er in geen velden of wegen een bank te vinden was. Als ze per se geld nodig hadden was de laatste uitweg geld lenen bij de chinezen met 30% rente per maand.
Eens toen het bisdom de salarissen van de werklui op de zagerij niet kon betalen bleef er voor econoom Ferry Hoogland geen andere weg over dan geld te lenen. Hoe daarna de schuld afbetaald is vertelt de geschiedenis niet. Wel lezen we in het archief dat in diezelfde 50-er jaren het bisdom een zending kleren toegestuurd kreeg met de bedoeling ze te verdelen onder de werklui. Maar omdat het bisdom op dat moment geen rooie cent in kas had, bleef er om te overleven en aan de verplichtingen te voldoen geen andere keuze over dan die kleren te verkopen en van de opbrengst de salarissen te betalen en levensmiddelen te kopen. Het bisdom had behalve de zorg voor priesters en broeders ook de zorg over zijn werklui van de zagerij, de salarissen van de onderwijzers/onderwijzeressen en ambtenaren, twee of drie godsdienstleraren en de huishoudelijke hulp op het bisdom en de pastorieƫn.
Hoe kon men ondanks die armoede toch overleven, hier en daar iets bouwen, levensmiddelen en medicijnen kopen? De plaatselijke bevolking was arm, daar kon men geen cent van verwachten. Ook waren er nauwelijks instanties die een helpende hand konden of wilden bieden. In feite moesten de missionarissen leven van het geld dat ze tijdens hun verlof bij elkaar schooiden en van de kleinere acties door de missieprocure. Wel moet gezegd worden dat het bisdom jaarlijks subsidie ontving van het Vaticaan, maar die was zo klein dat enkel het tekort voor de salarissen van de catechisten en voor de benodigdheden van de missionarissen verminderde.


































































































   142   143   144   145   146