Page 148 - geschiedenis
P. 148

134 SMM in Indonesi├ź 1939-2005
draait om hen". Toen de missionarissen in het bisdom Sintang hoorden over het schrijven van Mgr. Herculanus, verschilde de reactie aanvankelijk niet veel van Pontianak, maar niet lang daarna begon de bedoeling van Mgr. Herculanus tot hen door te dringen, vooral toen veel dorpen in groten getale zich aanmeldden om katholiek te worden door de aansporing van de politiek, om een van de vijf godsdiensten te kiezen. Bisschop van Kessel die enkele jaren eerder zijn priesters nog verbood om hun dienstreisgebied uit te bereiden, gaf in 1969 aan Reinold Dijker de opdracht een manier uit te werken om leken op te leiden tot voorganger van gebedsdiensten in de dorpen. Niet lang daarna gaf pater Dijker met de hulp van de heer Supomo cursussen voor voorgangers van gebeds- diensten. De missionarissen waren het met elkaar eens om van de kampongs, die katholiek wilden worden, te eisen een of twee personen aan te wijzen die volgens hen geschikt waren voorganger te worden en ze op cursus te sturen naar Sintang.
Nu hadden de meeste kandidaten nauwelijks een basisschool af, eenvoudig omdat er nauwelijks scholen waren. Bij zo'n cursus hoorde dan ook lezen. Zij die deze cursussen hadden gevolgd wisten eigenlijk nog maar weinig meer dan hun dorpsgenoten, maar zij konden op een redelijke manier een woorddienst houden en de noodzakelijke aantekeningen maken, nodig voor de parochieadministratie. Na een jaar werden de voorgangers uitgenodigd voor een vervolgcursus. Vier jaar later in 1973 opende pater Dijker de catechistenschool SKMA, een ontwikkeling die met blijdschap werd ontvangen. Reeds in het eerste jaar kon men zich verheugen in een groot aanbod van jongens en meisjes die catechist of godsdienstleraar wilden worden.
Om meer leken te betrekken en tevens het werk van de voorgangers, te verlichten, werd een collectief leiderschap of een raad van ouderlingen aan- gesteld, zoals men dat kende in de begintijd van de kerk. Zo'n raad van ouderen kreeg de naam Bapuk. Deze raad bestond uit de voorname personen uit de gemeenschap, zoals het adathoofd, dorpshoofd, de onderwijzer en de voorganger van de geloofsgemeenschap. Op deze manier werd de kerk meer en meer gelaïciseerd. Adat-geschillen en het aanpassen van de oude adat met het katholiek geloof verliep veel beter. Bij het beoordelen van wat geoorloofd was of niet, ging men uit van het principe: wat niet in tegenspraak is met het katholiek geloof, kan gehandhaafd blijven. Het bleek al gauw dat bij een goede uitleg, uitbouw en ontwikkeling van hun zeden, gewoonten en gebruiken, de Dajaks groeiden in het beleven van het katholiek geloof. Met deze manier van werken, herkende en erkende men een vorm van Indonesianisatie. Hoewel dit allemaal positief klinkt, betekende dit nog niet dat men er was. Er was nog veel werk aan de winkel.


































































































   146   147   148   149   150