Page 16 - geschiedenis
P. 16

2 SMM in Indonesië 1939-2005
Vicaris van Batavia (1845-1847), zich verzette tegen de bemoeizucht van de Gouverneur Generaal bij de plaatsing en benoemingen van de priesters. Twee jaar later mochten ze terugkomen nadat er een overeenkomst was gesloten tussen de Paus en de Nederlandse regering. Door deze overeenkomst, "Nota der Punten" genaamd, werd de interne vrijheid van de katholieke kerk erkend. Helaas kon de kerk zich niet overal vrij verspreiden. In sommige gebieden waren er bestuurders, die de verbreiding van het katholieke geloof tegen- werkten onder het mom van veiligheid en handel. Anderen maakten gebruik van het "Reglement op het beleid der Regeering van Nederlands-Indië" (1854; 1925) no. 123 (177), dat aan deze bestuurders de macht gaf katholieke missionarissen uit bepaalde gebieden te weren, ook al vroegen de plaatselijke bewoners om de komst van priesters en zusters. De strijd duurde tot de 20ste eeuw. Vanaf die tijd kreeg de kerk wat meer vrijheid en zien we vooral in Flores, Minahasa, Midden-Java en Borneo de kerk groeien en bloeien.
In vergelijking met andere landen is de aanwezigheid van de katholieke Kerk in Indonesië recent te noemen, zeker op het eiland Borneo. Toch ver- melden verschillende bronnen dat er voor de 14de eeuw al sprake was van de aanwezigheid van de kerk. Zo lezen we bij de Arabische geschiedschrijver Abu Salih al Armini dat er in de 7de eeuw op West-Sumatra katholieken waren van de Chaldese Ritus. De archieven van de Franciscanen vermelden, dat in 1313 een Franciscaan Borneo bezocht en dat er in de 16de eeuw missionarissen in Indonesië geweest zijn die, behalve op Java, ook werkzaam waren op de Molukken, Celebes en de Soenda-eilanden. Op Borneo werd in die tijd de katholieke missionering tegengewerkt onder het voorwendsel dat het voor vreemdelingen verboden was de binnenlanden in te trekken. Deze tegenwerking werd nog sterker, toen Nederland met zijn protestantse en anti-katholieke regering de macht kreeg over Borneo.
Pas in 1807, toen Nederland onder Franse heerschappij kwam en het recht op godsdienstvrijheid erkend werd, konden de katholieken in Indonesië verlicht adem halen. Heel Indonesië was toen één Prefectuur onder leiding van de Apostolisch Prefect die woonde in het toenmalige Batavia, nu Jakarta geheten. In 1842, 35 jaar later, werd de prefectuur verheven tot Apostolisch Vicariaat. Het aantal priesters was gering en het grootste gedeelte van de gelovigen bestond uit ambtenaren en militairen.
In 1851 bezoekt pater Sanders als eerste officieel West-Borneo. Hij be- kijkt de mogelijkheden om daar een missie te beginnen, maar hij komt terug met de conclusie dat de tijd nog niet gekomen is. Tien jaar later 1861-1862 bezoekt een legeraalmoezenier het eiland Borneo en neemt rechtstreeks contact op met de Dajak-bevolking in West- en Zuid-Borneo. Ook hij vindt de tijd nog niet gekomen om daar te beginnen. In 1884 bieden zich enkele Mill Hill


































































































   14   15   16   17   18