Page 163 - geschiedenis
P. 163

Hoofdstuk 4. L. vd Boorn Apost. Administrator 1973-1977 149
maar meer aan de bijstaties. De lazaristen hadden een andere inbreng. Zij werkten minder als groep, zij hadden ieder hun eigen manier van werken. Aangevuld met twee priesters uit het bisdom Soerabaja, begonnen de lazaristen in het Melawi-gebied te werken.
Na verloop van tijd wees Kees Smit bij een bepaalde gelegenheid de confraters montfortanen op de gevolgen van de komst van andere congregaties. Hij merkte op dat door de komst van een ander soort missionarissen, de montfortanen zich pas bewust zijn geworden van hun eigen kleur en rijkdom als volgelingen van de H. Montfort.
Door de komst van de lazaristen en oblaten waren er ook aanpassingen nodig op materieel gebied. Doordat nu meer dorpen bezocht werden en er meerdere centra kwamen, moesten er meer kerken, scholen, internaten en huizen gebouwd worden. Broeder Piet van Hoof werd overstroomd met vragen voor tekeningen en aanwijzingen voor nieuwe gebouwen.
Apostolaatswerk
Het apostolaat, dat de montfortanen in het bisdom Sintang uitoefenden en nog lange tijd blijven uitoefenen, was qua aanpak en methode in grote lijnen op alle staties hetzelfde. Hun hoofdtaak was, vertrekkende vanuit de hoofdstatie, rond- trekken van dorp tot dorp: dienstreizen maken. Sintang had het grootste dienst- reisgebied en had minstens twee confraters speciaal belast met dienstreizen. Op de gevestigde hoofdparochies – vooral de steden Sintang, Putussibau en Nanga Pinoh met vele chinezen – was er sprake van een "normaal" parochieleven: regelmatige diensten in de kerk met actieve deelname van de gelovigen, gods- dienstonderricht, onderricht voor de catechumenen, zelfs huisbezoek, al had dit laatste een andere, maar daarom niet minder zinvolle vorm als in Nederland. Op de hoofdparochies/staties woonden twee of meer missionarissen. Meestal deed op tourbeurt de ene missionaris het parochiewerk en de andere het dienstreis- werk. Zoals reeds gezegd, waren er enkele confraters speciaal belast met het dienstreiswerk, die ondanks hun vermoeiende tochten bij terugkomst altijd beschikbaar waren voor het werk op de hoofdparochie. In de kampongs (dorpjes) heerste een heel eigen sfeer en dat vroeg van de missionaris veel aanpassing vooral bij een lang verblijf. Denk maar aan eten, slapen, hygiënische verzorging enz. In veel kampongs werd de eucharistie gevierd, gedoopt, onderricht gegeven en huwelijken gesloten op de galerij van het langhuis, in een klaslokaal of huiskamer, zo mogelijk in een kapel. Ontwikkelingswerk en pastoraal werk lagen op Borneo vaak in één lijn. Ze waren niet te scheiden. Zo namen de confraters op dienstreis de nodige


































































































   161   162   163   164   165