Page 17 - geschiedenis
P. 17

Inleiding SMM in Indonesië 3
missionarissen aan, die werkzaam waren op Engels Borneo (nu Serawak). Zij wilden op West-Borneo missioneren, maar kregen daarvoor aanvankelijk geen verlof van de Nederlands-Indische regering. Dat verlof kwam pas op 7 augustus 1884. Ze mochten werken onder de Dajak-bevolking in het gebied dat recht- streeks viel onder het bewind van de Nederlands-Indische regering, te weten de streek van Sambas, Mempawah en Sintang.
Na een jaar kwam de Jezuïet pater Staal naar de kust van West-Borneo en ging werken in de stad Singkawang waar zo'n 200 katholieke Chinezen woonden afkomstig van het eiland Bangka. Missionaris Staal, de latere Aposto- lisch Vicaris van Jakarta, werd gevraagd nogmaals te onderzoeken of er een mogelijkheid was een missie te beginnen onder de Dajak-bevolking. Na vele bezoeken afgelegd te hebben, gaf hij de raad een missie te openen in de buurt van Bengkayang, in de plaats Sebalau. Enige tijd daarna gaf de resident van Pontianak pater Staal de raad om ook enkele andere streken te bezoeken zoals Semitau in de Oostelijke afdeling, vanuit Pontianak vijf dagen reizen over de Kapuas rivier. Volgens hem woonden daar de Dajaks van de Rambai-, Seberu- ang- en Kantuk-stam. Maar omdat de reis er naar toe ver en moeilijk was en er naar schatting maar 1500 mensen woonden, liet pater Staal dit plan voorlopig voor wat het was.
Sebalau bleek niet de juiste plaats te zijn omdat deze streek viel onder de zeggingsschap van het sultanaat Sambas. De Sultans, die moslims waren, bemoeilijkten het werk van de missie en daarom werd uiteindelijk gekozen voor Semitau. Op 29 juli 1889 geeft de Nederlands-Indische regering in brief no.7 toestemming een missie te beginnen onder de Dajaks rond Semitau en de jezuïet pater Looymans, met dienstbrief no. 252 gedateerd 14 juni 1890, werd de eerste missionaris onder de Dajaks.
Op 29 juli 1890 arriveerde hij in het stadje Semitau en niet lang daarna werd hij door een groepje Dajaks uit Sedjiram afgehaald en naar hun dorp gebracht. Daar bouwde de missionaris een kerk, school en internaat voor schoolkinderen. De jeugd immers was de hoop voor de toekomst. In 1893 kreeg hij hulp van de jezuïet pater Mulder.
Intussen groeide buiten Borneo vooral op de eilanden Java en Flores het aantal katholieken zodanig, dat er gebrek kwam aan krachten. Daarom werden in 1897 missionarissen van elders terug gehaald. Dat gebeurde in 1898 ook met pater Looymans en pater Mulder. Zij moesten Sedjiram achterlaten en gingen werken op het eiland Flores. Singkawang (gelegen aan de kust van West-Borneo) had nog geluk, deze stad werd twee maal per jaar bezocht door een priester vanuit Bangka, maar Sedjiram zag jaren lang geen missionaris meer.


































































































   15   16   17   18   19