Page 171 - geschiedenis
P. 171

Hoofdstuk 4. L. vd Boorn Apost. Administrator 1973-1977 157
nagedachtenis aan pater Ferry Hoogland kreeg deze boot de naam Ferry. De Harapan bleef in gebruik voor de aan- en afvoer naar de staties.
Tot en met de tachtiger jaren heeft het bisdom zelf gezorgd voor de aanvoer van alles wat nodig was, zoals levensmiddelen, bouwmaterialen, brandstof voor de zagerij, agregaten op de staties, enz... Iedere maand moesten tientallen drums benzine, petroleum en dieselolie, cement en andere spullen in Pontianak gehaald en vervolgens doorgebracht worden naar de binnenlanden. Inkopen doen en transport vielen onder de verantwoordelijkheid van de eco- noom van het bisdom in samenwerking met de mensen van de zagerij. Als een statie bepaalde spullen dringend nodig had of de stand van het water te klein voor de motor, moesten de missionarissen zelf hun spullen komen ophalen in Sintang. Zo had voor dergelijke eventualiteiten de parochie Putussibau de boot "Sinar", Sedjiram de "Mawar", die jarenlang gevaren werd door de heer Mundus en Bika de boot "Damai". Het waren kleine bootjes, die rond de 3 ton konden vervoeren. Het bisdom had ook nog een boot "Rasul" voor personen- vervoer. Deze is veel gebruikt door Mgr. van Kessel tijdens zijn tochten langs de parochies.
Reizen met een prauw of boot nam veel tijd in beslag, was vermoeiend, kostbaar vanwege het energieverbruik en vaak niet ontbloot van gevaar. Bovenstrooms heeft men te maken met stroomversnellingen, omgevallen bomen, rotsen en dergelijke. Het is nogal eens voorgekomen dat een boot omsloeg en de missionaris al zijn spullen verloor. Reizen tijdens de droge moesson was helemaal moeilijk omdat dan alleen de grote rivieren nog min of meer bevaarbaar zijn. Tijdens de droge tijd waren de hoofdstaties Benua Martinus, Serawai en zelfs Putussibau voor een langere tijd onbereikbaar. Om niet zonder levensmiddelen te komen zitten, moesten de missionarissen zorgen voor voldoende voorraad. Ook brandstof moest voldoende ingeslagen worden voor de elektriciteitsvoorziening.
Het onderhoud van de vervoermiddelen, agregaten en andere voorzie- ningen behoorden tot de taak van de missionaris. Er was toen niemand anders die verstand van motoren had. De dorpsmensen verlichtten hun hutje met een oliepitje. Hoogstens een handelaar had een motorbootje. De pastoor zorgde voor elektriciteit in het internaat, school, kerk en zusterhuis. Vandaar dat een missionaris met twee linkse handen snel in moeilijkheden kwam.
Tot de tachtiger jaren waren er geen wegen in het bisdom Sintang, enkel voetpaadjes. Pas nadat op grote schaal bomen werden gekapt en men met groot materieel de binnenlanden ging ontbossen, kwamen er hier en daar landwegen en deed de motorfiets of brommer zijn intocht. Motoren van de merken Honda, Yamaha en Suzuki gingen de taken overnemen van de buitenboordmotoren.


































































































   169   170   171   172   173