Page 172 - geschiedenis
P. 172

158 SMM in Indonesië 1939-2005
Werksituatie van een Borneomissionaris
Reeds voordat hij provinciaal werd (1993-2002) heeft pater Charles Voncken Borneo bezocht. Na een retraite aan de montfortanen gegeven te hebben, ging hij met een confrater op dienstreis in de Lebang. Over zijn ervaringen schrijft hij:
"Zonder het werk van de anderen daardoor te kort te willen doen heb ik bijzondere waardering voor de confraters die trouw de kampongs afgaan. Ik heb het 5 dagen in gunstige omstandigheden meegemaakt. Enerzijds geeft het de vreugde van het echte, nabije pastorale contact, anderzijds vergt het toch steeds weer aanpassing en het accepteren van primitieve levensomstandig- heden dwz. voortdurend min of meer (on)comfortabel kamperen. Toch ge- schiedt daar "het" missiewerk. Hiervoor zijn mijns inziens nog steeds te weinig mensen. Tientallen kampongs vragen of er een pater komt en ze wachten soms "jaren". Het klimaat is enerzijds erg gunstig: bij de volkstelling hebben zich veel meer mensen als katholiek opgegeven dan in de doopboeken staan. Het aantal zou gemakkelijk in een paar jaar kunnen verdubbelen. Dit komt door het feit dat de regering niet langer het animisme toestaat: je moet een godsdienst hebben, dat is ook progressief en modern. Dit is dus anderzijds een nadeel, omdat nu politiek-maatschappelijke motieven een te grote rol kunnen spelen bij de "bekeringen". Ik kan verder alleen maar zeggen dat naar mijn overtuiging de confraters zich naar vermogen inzetten: dit vermogen verschilt echter nogal, maar wie kan daar dan verder over oordelen?"
De werksituatie van de missionarissen in de zeventiger jaren verschilde nog maar weinig van de situatie in de jaren daarvoor. Ook toen woonden de Dajaks nog steeds in langhuizen. Vroeger, toen er nog regelmatig twisten waren tussen de verschillende Dajak-stammen en het koppensnellen nog voor kwam, was het leven en wonen in het regenwoud van Borneo beslist niet ongevaarlijk. Ergens met vrouw en kinderen alleen in een vrijstaand huisje wonen aan de rand van een dorp kwam niet voor. Eeuwenlang woonden alle dorpsbewoners in één lang huis bij elkaar. Zo'n dorpshuis was gebouwd op palen van meer dan drie meter hoog. Een dergelijk huis had twee ingangen met een smalle trap gemaakt van een boomstam met daarin treden gekapt. 's Avonds werd die trap binnengehaald om ongewenste indringers buiten de 'deur' te houden. De Dajaks bouwden hun langhuis bijna altijd aan de oever van een rivier(tje). Ook daarom al waren die huizen op palen veilig, want na een hevige regenbui willen de rivieren nogal eens buiten hun oevers treden. Hoewel elke Dajakstam zijn eigen type huis bouwt, komen ze min of meer met elkaar overeen. Elke familie - vader, moeder, kinderen en ook vaak opa en oma - heeft een privé vertrek in dat lang uitgerekt huis. Al die familievertrekken met ieder een eigen deur liggen op één rij. Vaak wonen 30 à 40 families in zo'n langhuis, dat een lengte kan hebben van 150 tot 200 meter! Aan de voorzijde van de aan elkaar gebouwde


































































































   170   171   172   173   174