Page 173 - geschiedenis
P. 173

Hoofdstuk 4. L. vd Boorn Apost. Administrator 1973-1977 159
familievertrekken, onder hetzelfde grote dak, is over de hele lengte een 6 meter brede galerij, die gebruikt wordt voor het ontvangen van gasten, zoals de missionaris. Elke familie heeft precies tegenover zijn woning een eigen stukje galerij. Vrouwen vlechten er matjes of weven er doeken. Opa's en oma's doen er kleinere huishoudelijke klusjes of passen op de kleinkinderen. Mannen maken er gereedschap. Op deze galerij heeft het sociaal leven plaats. Daar zit ook de missionaris op een matje om met de mensen te praten. Op deze plaats verzorgt hij de zieken, geeft hij catecheselessen, bidt hij met de mensen, viert hij de eucharistie en spant er zijn klamboe om te slapen. Voor de maaltijd wordt hij uitgenodigd in een familievertrek. De maaltijd bestaat uit rijst, gekookte groente met soms een stukje kip of vis. Na zijn taak volbracht te heb- ben gaat de missionaris naar een volgende plaats. Hij heeft zoveel kampongs te verzorgen dat hij enkel drie of vier keer per jaar zo'n kampong kan bezoeken.
Eind zeventiger jaren komen er veranderingen op velerlei gebied. Hierboven sprak ik al over de ontbossing en de aanleg van wegen. Met groot materieel worden bomen gerooid met alle gevolgen van dien. De stand van het rivierwater verandert, door de ontbossing stijgt en zakt bij regen heel snel het rivierwater. Het verdwijnen van de wouden houdt in dat ook veel rijkdom verdwijnt. Er ontstaan steeds vaker bosbranden en er is geen hout meer om huizen te bouwen.
Door scholing kwam de Dajakbevolking meer en meer in aanraking met de moderne wereld en verdwenen beetje bij beetje hun langhuizen, die plaats maakten voor gewone huizen. Daarmee kwam er ook een einde aan hun leef- en werkgewoonten. Hun adatgewoontes die generaties lang hun leven hadden bepaald, verloren hun zeggingskracht.
In dezelfde tijd zien we dat ook van regeringswege steeds minder rekening gehouden werd met het adatrecht en de oude gewoontes, waarop het sociale leven eeuwenlang had gesteund. Was tot dan toe alles duidelijk voor de Dajaks, was recht en onrecht goed geregeld, nu kwam er veel onzekerheid. Van hogerhand werd hier misbruik van gemaakt. Vanuit Jakarta werd bepaald wie recht had op bepaalde gronden; grond werd onteigend of in beslag genomen.
Toen in 1966 president Soeharto de macht overnam, werd de politiek van de Nieuwe Orde (Orde Baru) ingevoerd. Deze steunde op twee pijlers: politieke volgzaamheid en economische ontwikkeling. In de zeventiger jaren begon men tot ver in de binnenlanden de gevolgen hiervan te voelen.
Mgr. Doera en de missionarissen probeerden deze politiek scherp in de gaten te houden, vooral daar waar onrechtvaardigheid werd bedreven door onteigening van gronden, door corruptie en het onrechtvaardig behandelen van politieke gevangenen. De bisschop liet duidelijke geluiden horen, de missio- narissen minder. Immers, zij liepen het gevaar weggestuurd te worden of tegengewerkt te worden bij hun missionaire taken. Zij gebruikten daarom hun


































































































   171   172   173   174   175