Page 182 - geschiedenis
P. 182

168 SMM in Indonesië 1939-2005
confraters bedoelt het goed, maar men leeft naast elkaar of men gaat zijn eigen weg. Men vermijdt nu eenmaal lange tenen. De tegenstelling jong-oud loopt niet soepel, wat wederzijds veel verdriet kan veroorzaken. Men praat de zaken niet uit of durft het niet, denkend, dat het toch niets uithaalt, ofwel om ruzie en kortsluiting te voorkomen. Samenwerking en saamhorigheid lijden daardoor schade. Sommige jongeren hoor je tegen de ouderen zeggen: Die zijn vastgeroest, hebben te weinig inspiratie, gaan te moeilijk mee met de vernieuwingen. Zo ook de houding van sommige ouderen t.o.v. bepaalde jongeren: Hun moderne kijk op vernieuwing zijn vaak maar mooie woorden; zeggen wel respect te hebben voor wat vroeger met veel moeite is opgebouwd en dat zij rekening willen houden met de minder goede gezondheid of fysieke kracht van de ouderen, maar aan die woorden beantwoordt geen realiteit. In feite is er dus een zekere kloof tussen jong en oud te constateren, waarbij een stuk wederzijds wantrouwen naar voren komt. Er doen zich wel eens moeilijkheden voor bij benoemingen. Bij een groepje ouderen heeft dit de indruk gewekt, dat jongeren onder het mom van inspraak en persoonlijk gekend te willen zijn in hun benoemingen, hun eigen wil menen te mogen doordrijven en alleen maar doen wat ze graag willen."
De kloof zoals beschreven door Huub, werd door jong en oud niet op eenzelfde wijze ervaren. De ouderen ervoeren ze mijns inziens sterker dan de jongeren. Anderzijds hebben de jongeren gelijk als ze "de kloof" een generalisering noemen, want zij ervaren een karakterverschil tussen oud en jong. Er is een globale mentale tegenstelling tussen oud en jong. De ouderen zijn om zo te zeggen meer traditioneel. Ze hebben ook een aantal vooroordelen tegen de Nederlandse kerk en de nieuwere theologie en pastoraal. Dat ligt voor de hand als je jarenlang in het binnenland tussen de rivieren van Borneo gevangen zit en weinig of geen literatuur doorneemt over de ontwikkelingen die zijn ontstaan door het Tweede Vaticaans Concilie. Gezien de materiële en andere beslommeringen mag je wellicht ook niet al te veel verwachten en ontstaat er zodoende een dubbel probleem: doordat de jongeren in het algemeen zijn opgevoed in de lijn van het Tweede Vaticaans Concilie, spreken ze een andere taal en kan men elkaar in het theologische spreken moeilijk of niet verstaan en vinden, zelfs als in wezen de standpunten niet zover van elkaar af liggen. De wederzijdse gelovige bedoelingen komen maar moeilijk over. Daardoor weet men elkaar niet zo goed te waarderen en respecteren. En kwetst men elkaar heel vlug. Daardoor is een pastoraal gesprek dat niet aan de praktische kant blijft, erg moeilijk. Ook samen bidden stoot steeds weer op theologische tegenstellingen.
Men kan zeggen dat de missionarissen van na het Tweede Vaticaans Concilie komen met nieuwe ideeën, maar dat dit niet betekent dat hetgeen de oudere generatie gepresteerd heeft zomaar aan de kant kan gezet worden. De oude missionarissen hebben veel ervaring en kennen en begrijpen de adat en


































































































   180   181   182   183   184