Page 21 - geschiedenis
P. 21

Inleiding SMM in Indonesië 7
Sedjiram, de Franciscanessen van Veghel (SFIC), te weten moeder Fidelia, zuster Casperina en zuster Cajetana.
De komst van de Kapucijnen en de Franciscanessen was een teken, dat het missiewerk onder de Dajaks nu echt begon. Toen de kapucijnen aankwamen in Sedjiram bleek er niets meer over te zijn van de gebouwen die pater Looymans acht jaar eerder had neergezet. Alleen de pastorie was er nog. Maar er moet bij verteld worden dat, ondanks die materiële tegenvaller, er ook een meevaller was. Mensen, die als kind het doopsel ontvangen hadden, waren nog steeds katholiek. Zondags kwamen ongeveer 50 mensen samen om te bidden en de godsdienstles te volgen.
"Niet getreurd en gezeurd", zeiden de kapucijnen. Met frisse moed werd er een nieuwe kerk gebouwd en ook een nieuwe pastorie. Bovendien werd buiten het pastorale werk een begin gemaakt met rubberteelt en de bouw van scholen. Vooral dit laatste was van geweldige betekenis voor de vooruitgang van de Dajaks. Vanaf het begin hadden de missionarissen door, dat hun missionair werk niet beperkt mocht worden tot het christianiseren van de Dajaks, ze moesten ook actief zijn op sociaal gebied en via onderwijs en plantages de Dajaks een nieuwe toekomst bieden.
In die tijd was het erg moeilijk de Dajaks warm te maken voor het onderwijs. Om leerlingen te krijgen moest de missionaris van dorp tot dorp gaan en ouders en kinderen overtuigen van het belang en de noodzaak van een school. Soms lukte dit alleen door geschenken te geven. Ieder jaar opnieuw moest de missionaris op jacht gaan, zelfs al draaide de school al verschillende jaren. De angst om hun kinderen los te laten werd o.a. gevoed door het gerucht dat de kinderen zouden worden ontvoerd en niet meer terug zouden komen bij hun ouders. Zo gebeurde het dat bij de komst van een missionaris in een dorp, de ouders hun kinderen verstopten op hun rijstveld of op zolder.
In de 21ste eeuw is de situatie sterk veranderd, misschien wel helemaal omgekeerd. Nu hoeft de pastoor niet meer op zoek naar leerlingen, integendeel de ouders komen hun kinderen aanbieden. Wel zijn de financiële kosten een blijvende hindernis. Daarom helpt de kerk de Dajaks nog steeds met studie- fondsen.
Een andere moeilijkheid was en zijn de internaten. Voor het volgen van voortgezet onderwijs moeten de kinderen hun familie en dorp verlaten om naar de stad te gaan. Waar vinden ze dan een goed onderkomen? Vandaar dat de zusters alsook de pastoors op alle hoofdparochies internaten hebben om deze moeilijkheid op te lossen.


































































































   19   20   21   22   23