Page 23 - geschiedenis
P. 23

Inleiding SMM in Indonesië 9
Op 26 december 1906 hebben de missionarissen een gesprek met meneer Campagne, de controleur van Semitau, over het plan een nieuwe parochie te beginnen in de streek van Batang Lupar aan de grens van Serawak, en een huis te bouwen in Landjak. De apostolische prefect geeft op 30 januari 1907 zijn instemming voor dit plan. De oriëntatietocht naar dat gebied kon aanvankelijk niet doorgaan vanwege een pokkenepidemie in de dorpen precies over de grens in Serawak. In Batang Lupar waren zelfs al enkele mensen besmet geraakt. Pater Gonsalvus, pater Ignatius en broeder Donulus konden pas juli 1908 naar Landjak, richting Batang Lupar gaan. In dit dorp woonden hoofdzakelijk Dajaks van de Iban-stam.
Zoals bij hun aankomst in Sedjiram begonnen de missionarissen met de bouw van een pastorie, kerk en school. Na verloop van tijd leerden ze behalve de Ibans ook de Dajaks van de Embaloh-stam kennen, die niet ver daarvandaan woonden en regelmatig naar Landjak kwamen om werk te zoeken, hun producten te verkopen of hun dagelijkse benodigdheden te kopen bij de Chinees. Al gauw kwamen de missionarissen te weten dat een stel van hen, in totaal 16, reeds gedoopt was in Ranowir, een plaats in Serawak. De meest vooraanstaanden van deze groep gedoopten waren Peter Bai, Gregorius Jawa en Petrus Nglambong. Deze drie kwamen op een zekere dag pater Gonsalvus uitnodigen voor een bezoek aan hun dorp of kampong. Dit gebeurde van 2 – 9 november 1909. Het bezoek aan de Embalohers werd een waar succes. In tegenstelling tot de Ibans waren de Embaloh-mensen enthousiast over de school. Er kwamen al snel jongens en meisjes naar de school in Landjak. Na een jaar was het aantal Embaloh-kinderen al gegroeid tot 75. Door hun aanwezigheid was er toekomst voor de school. Het aantal Iban-kinderen bleef zo klein, dat de missionarissen op zeker moment erover dachten de school te verplaatsen naar het Embaloh-gebied. Dit plan werd evenwel niet meteen uitgevoerd omdat de missionarissen allereerst een nieuwe parochie wilden openen in de Nanga Mandai, de streek van de Kantuk Dajaks.
Van 2 - 24 juli 1910 bezochten de kapucijnen voor het eerst het boven- strooms gebied van de Kapuas rivier, Kapuas Hulu genaamd. Bij die gelegen- heid bezochten ze 50 dorpjes en ontmoetten zij 180 katholieken, die eertijds waren gedoopt door pater Looymans in Sedjiram. De conclusie van het bezoek was dat in dit gebied hoognodig een parochie geopend moest worden. Waar?! Het gebied van de Mendalam, een zijrivier van de Kapuas gelegen boven- strooms van Putussibau, waar de Kayan Dajaks woonden, was heel geschikt daarvoor. Bovendien lieten de mensen van de Mendalam blijken, dat ze de missionarissen graag in hun midden zouden hebben. Maar er was ook een bezwaar: de Kayans waren zeer gehecht aan het geloof en gewoonten van hun voorouders. Een ander geschikt gebied was de streek waar de Kantuk Dajaks


































































































   21   22   23   24   25