Page 38 - geschiedenis
P. 38

24 SMM in Indonesië 1939-2005
hadden. Ze waren vriendelijk en openhartig. Diefstal was bij hen onbekend, zij waren gastvrij en zelfs menselijk tegenover hun vijand die ze verslagen hadden. En toch was het koppensnellen een onoverwinnelijke hartstocht, die hun hele denken en streven beheerste. Rond 1935 had de Indische Regering gewapenderhand een einde gemaakt aan de meeste misbruiken. Toch bleek al gauw dat zolang de Dajaks er geen betere overtuiging voor in de plaats kregen, zij koppensnellers zouden blijven in hart en nieren.
Wat leerde immers de adat en traditie van hun voorouders over dit koppensnellen? Na de dood zullen de geesten van de verslagenen de afgestor- venen als slaaf dienen, tenminste als deze de afgehouwen schedel een goede verzorging geven. Verder moeten de zielen na de dood een weg afleggen vol beproevingen, voordat zij in hun hemel aanlanden. Wil die tocht naar wens verlopen dan moet de vrouw zich in haar leven laten tatoeëren, en de man zoveel mensenhoofden als mogelijk thuisbrengen.
Ook geloofden de Dajaks aan allerlei goden en geesten die ziekten en ongelukken veroorzaken. De beste manier om die te verzoenen was het offer van een mensenhoofd. Bij sommige Dajak-stammen konden de doden niet begraven worden zolang men niet beschikte over een nieuwe mensenschedel. Het koppensnellen achtten zij in één woord nodig om geluk te hebben in al hun ondernemingen. Zo moest er een schedel begraven worden bij de bouw van een nieuw huis. Een Dajak-jongeling werd pas voor volwassen aangezien als hij een kop had gesneld en zo verder. Het koppensnellen verdween pas toen het christendom de traditie van de Dajaks ging beïnvloeden.
Japanse bezetting
Op 8 december 1941 viel zonder enige waarschuwing het Japanse leger Pearl Harbour aan. Op 19 januari 1942 werd midden in de nacht, Pontianak gebom- bardeerd met als gevolg 600 doden. Uit paniek vluchtten velen de stad uit. De kronieken vermelden dat de internaatskinderen van Pontianak naar het binnen- land vluchtten samen met 29 zusters en veel broeders van Huybergen. Onder hen was ook een zekere pater of frater Jordanus die met 60-70 Chineesjes 600 km. verder naar Sedjiram vluchtte, maar het Japanse leger wist hen toch te vinden.
Deze pijnlijke gebeurtenissen werden al snel bekend tot ver in het binnenland en brachten verwarring onder de bevolking. Het feit dat de Jappen Indonesië binnenvielen had tot gevolg dat een groep rebellen onder aanvoering van dokter Diponegoro Putussibau binnentrokken, waardoor de toestand rond de stad alles behalve veilig werd. De winkels en rubbertuinen van de Chinezen werden geplunderd en hun koeien geslacht. Controleur van de Woerdt, die


































































































   36   37   38   39   40