Page 41 - geschiedenis
P. 41

Hoofdstuk 1. De Montfortanen in Indonesiƫ van 1939-1947 27
Toen we bemerkten dat de bevolking te bevreesd was om ons te herbergen, besloten we ons te voegen bij de Japanse autoriteiten, die nog in Poetoes waren. Hier werden we aan een scherp verhoor onderworpen, over onze betrekking met de Hollandse luitenant, onze vlucht en vooral dat telefoon- gesprek, juist bij hun aankomst te Bika. Resultaat: we mochten terug naar Bika, waar we de volgende dag zouden opgepikt worden voor Pontianak.
14 Juni 1942. Laatste zondagsdienst in de kerk, christenen en catechisten krijgen laatste vermaningen hoe zich te gedragen bij afwezigheid van priester, vooral bij huwelijken en sterfbed. Onnodig te zeggen hoe droevig en ontroerd we gestemd waren de jonge christenheid zonder de herder achter te laten.
Om half elf arriveert de Japanse flottielje. Wel tien stuks, enkele grote Chinese boten en wat kleine motorbootjes. De missieboot, de Rasul, werd ook mee- genomen. Met een handjevol kleren verlaten we Bika en gaan een onzekere toekomst tegemoet. We worden in een klein motorbootje gestopt, waarin zich reeds vier zusters, pater Linssen en broeder Bruno bevinden. In dit hok zullen we zes dagen en zes nachten doorbrengen, tot we Pontianak bereiken."
Het Jappenkamp in Kuching
In Pontianak werden de paters en broeders naar het klooster van de Broeders van Huybergen en de zusters naar de pastorie van de Kapucijnen gebracht. In korte tijd waren vele paters, broeders, zusters en blanken van allerlei soort uit alle streken verzameld. Pater Wintraecken was vanuit de Mandai-rivier naar Benua Martinus gevlucht. In Nanga Kalis, een dorpje in de Mandai-rivier, had men hem willen arresteren en vermoorden, doch hij had weten te ontsnappen en naar Benua Martinus kunnen gaan. Uiteindelijk was hij samen met de Kapu- cijnen van Benua Martinus op transport gezet naar Pontianak. Het totaal aantal Nederlandse missionarissen op dat moment werkzaam in Borneo, was: 32 priesters, 40 broeders en 123 zusters. Ze waren gezond en wel, maar verloren allen in Pontianak hun vrijheid en kwamen onder militaire discipline te staan. Iedere morgen was er appel. Na enkele weken liet een hoge militair weten dat ze Pontianak zouden verlaten, waar naar toe, werd er niet bij gezegd.
Op 14 juli 1942 werden ze met een kleine kolenboot naar Kuching, de hoofdstad van Serawak (vroeger Brits Borneo), gebracht. "De uittocht in Pontianak naar de haven heb ik de meest pijnlijke en vernederendste dag gevonden van het hele interneringsleven; mogelijk omdat we toen nog niets gewend waren. Onder gejoel van de Maleise bevolking en stokslagen van de Japse soldaten werden we naar de haven gedreven. Het was werkelijk een kruisweg", aldus pater H. L'Ortye in zijn brief van 15 september 1945 aan pater provinciaal.


































































































   39   40   41   42   43