Page 56 - geschiedenis
P. 56

42 SMM in Indonesië 1939-2005
meubels, keukengerei en een bed. Hun hoofdvoedsel was rijst dat zij op een primitieve manier verbouwden ergens midden in het oerwoud. Als groenten namen ze wat ze als eetbaar in de bossen vonden, soms aangevuld met een gekookt visje of een gestroopt diertje. De Dajaks waren nog analfabeet en leefden in lange huizen: een 20 tot 50 aan elkaar op palen gebouwde woningen met een gemeenschappelijke voorgalerij. Alle regels en gewoontes in zo'n lang- huis steunden op een oude traditie, voortkomende uit hun animistische cultuur en levenswijze, waarbij het adathoofd zorgde voor de naleving ervan.
Ook werd van de missionarissen gevraagd zich aan te passen aan de hoge temperatuur, aan het leven in een tropische omgeving waar de hygiëne op een laag pitje stond met veel muggen en ander ongedierte. In deze streek heerste veel malaria en was dysenterie en TBC een veel voorkomende ziekte.
Een ander punt was de taal. Toen de missionarissen aankwamen op Borneo moesten ze nog een taal leren. De officiële taal was toenmaals het Maleis. Het dagboek van Bika vertelt dat op 7 januari 1940 pater L'Ortye voor het eerst preekte in het Maleis, acht maanden na hun aankomst op Borneo.
Zij leerden de Maleise taal, geholpen door een ambtenaar of onder- wijzer, met gebruikmaking van het boekje 'De Vlotte Maleier'. Het plaatselijke dialect werd al doende geleerd. Ze spraken geen hoogstaande taal, maar meer een taal gebruikt onder handelaren. Het Indonesisch is zich pas gaan ontwikkelen in de tijd van president Soekarno. Pas toen kwam het in plaats van het Maleis. Hoewel de missionarissen zich nauwelijks verstaanbaar konden maken bij de bevolking, trokken ze ijverig rond van het ene dorp naar het andere. Wel moet erbij verteld worden, dat in die tijd alle kerkelijke diensten nog in het Latijn geschiedden. Pas in de zestiger jaren maakt het Latijn plaats voor de landstaal en zijn de Eucharistievieringen en het toedienen van de sacramenten in het Indonesisch.
Doordat het levenspeil van de missionarissen eenvoudig was en hun leefwijze zoveel mogelijk aangepast aan die van de plaatselijke bevolking, stonden zij dicht bij de mensen en verkregen zij al gauw hun vertrouwen. Dit had tot gevolg dat steeds meer Dajaks vroegen om katholiek te worden. De voorbereiding op de doop vroeg echter veel tijd, vooral omdat de mensen lezen noch schrijven kenden. Bovendien moest hun manier van leven met animistische achtergronden nogal wat veranderingen ondergaan. Helaas was het niet altijd even duidelijk wat precies verboden moest worden van die tradities of niet in overeenstemming was met het Christelijk geloof. Om niet te veel fouten te maken in hun beoordelingen, namen de missionarissen de nodige tijd en verdiepten zich in de cultuur en gewoontes van de Dajaks. Ze knepen daarom nogal eens een oogje dicht, zelfs wanneer een dorpsmedicijnman/vrouw op een animistische manier een zieke behandelde of een of andere viering verzorgde. Op den duur probeerden zij aan de adatvieringen een katholiek tintje


































































































   54   55   56   57   58