Page 57 - geschiedenis
P. 57

Hoofdstuk 1. De Montfortanen in Indonesië van 1939-1947 43
te geven. Voor de catechese maakten ze meestal gebruik van onderwijzers of opgeleide catechisten, die beter aanvoelden hoe om te gaan met voorvaderlijke gewoontes. Pas als de onderwijzer of catechist zei, dat iemand klaar was om gedoopt te worden, examineerde de pastoor de desbetreffende persoon en als hij slaagde werd die man of vrouw gedoopt.
De onderwijzers en catechisten waren zeer kostbare krachten, die veel werk uit handen namen. De missionarissen hadden hun handen vol aan de sacramentele bedieningen in al die dorpjes, het regelen van het jongens- internaat, het controleren van de school en het ontvangen van de vele gasten die op de pastorie aankwamen. Bovendien was de pastorie een soort polikliniek, waar zij hulp boden aan zieken en gewonden. En wat wel heel speciaal was in die tijd, was het feit dat er een telefoon was op de pastorie van Bika. Hoewel primitief en met vele storingen kon men via die telefoon contact opnemen met Putussibau, Sintang, Pontianak en vele andere plaatsen.
Zoals vermeld, moesten de missionarissen tijdens de Japanse bezetting Bika verlaten. Pater Wintraecken en broeder Bruno kwamen pas op 22 maart 1946 terug in Bika, waar ze vol optimisme weer aan de slag gingen. Het dagboek van Bika zegt er eind 1946 dit over:
"Parochie Bika staat er niet slecht voor. De Kantoeks willen vooruit, en gelukkig zoeken ze het in de richting van de pastorie. De pastoor is overal welkom, niet omdat het weer eens iets anders is, neen, ook omdat hij komt om te onderrichten het ware geloof. Jammer, dat zij die werkelijk nu reeds willen, zo moeilijk te bereiken zijn. Vooral het opgroeiende geslacht wil, en de dames meer dan de jongens. Ook de oude lui, doch zeer langzaam, voor hen is de stap te groot. Het jaar 1946, ondanks de oorlogsjaren, is bevredigend, doch 1947 belooft beter – als er meer gelegenheid zal zijn om de mensen te onderrichten... geregelde dienstreizen, godsdienstleraren, onderricht aan vrouwen etc.. Op de statie, als het kan, meisjesinternaat...."
Helaas zijn deze wensen in 1947, niet bewaarheid. Zo lezen we eind 1947 in hetzelfde dagboek:
"Een jaar vol beroeringen, veranderingen, komen en gaan van paters, ziekten. Ongeregeld op de statie. Dikwijls alleen, weinig dienstreizen".
Broeder Bruno had last van zijn voeten en zijn buik, Wintraecken van amoebe- dysenterie. Ook lezen we dat pater Linssen lang ziek is geweest. De bevolking had weinig te eten. Niet ver van de kerk van Bika lag een grote rubbertuin, een erfenis van de kapucijnen. Helaas bracht die tuin niet veel op. Jammer, want dat zou veel mensen hebben kunnen helpen. Het jaar 1947 was voor de bevolking een hongerjaar wegens een slechte oogst. Er waren veel zieken, waardoor bij gebrek aan een dokter de missionarissen veel doktertje moesten spelen.


































































































   55   56   57   58   59