Page 74 - geschiedenis
P. 74

60 SMM in Indonesi├ź 1939-2005
moeder van Kessel de was doen in een bejaardenhuis. Met de schamele op- brengst daarvan onderhield zij haar kinderen. Bertus - zo was de roepnaam van de nieuwe prefect - ging naar het montfortaans kleinseminarie St. Marie in Schimmert, daarna maakte hij het noviciaat in Meerssen en deed op 8 september 1933 zijn eerste professie. Zijn filosofische en theologische studies maakte hij op het grootseminarie te Oirschot. Hij werd op 12 februari 1939 priester gewijd door Mgr. A. van Diepen en kreeg op 13 juli 1939 de benoe- ming voor Borneo, waar hij arriveerde op 7 maart 1940. Even later begon hij zijn missionariswerk in Bika Nazareth en hij werkte daar tot het moment dat hij werd meegenomen door de Jappen in 1942. Samen met zijn confraters werd hij in Kuching geïnterneerd tot september 1945. Tijdens zijn internering gebruikte Bertus de vrije uurtjes om de Dajak-dialecten en het Maleis te leren.
Harry L'Ortye, die tot dat ogenblik de leider van de montfortaanse missie was geweest, werd door pater provinciaal benoemd tot superior religiosus van de montfortanen. Door deze benoeming kwamen er structureel gezien twee leiders in het montfortaans missiegebied, namelijk apostolisch prefect Lambertus van Kessel en superior religiosus Harry L'Ortye. In het vervullen van hun functies zaten ze niet altijd op dezelfde lijn, maar beiden probeerden het beste te doen voor het diocees en voor de montfortaanse zaak. In september 1952 werd er een contract getekend tussen het diocees en de montfortanen. In dat contract stond onder andere dat het diocees voor iedere montfortaan 3.500 gulden per jaar stortte in de regionale kas der montfortanen, dat het diocees de reis voor de komende en gaande missionaris betaalde en dat de prefectuur als contributie jaarlijks per pater (broeder dus niet) 50 gulden betaalde aan de provinciale kas. Verder werd in dit contract bepaald hoe om te gaan met het personeel.
Opening van de Statie Nanga Beloh
en begin van het Missiewerk in de Melawi-rivier
Op 18 februari 1948 begon pater Antoon Voncken (Toon) een nieuwe statie in de Ketungau-rivier, een zijrivier van de Kapuas, gelegen tussen de Kapuas- rivier en het tegenwoordige Serawak. De monding (door de Dajaks Nanga genoemd) van de Ketungau-rivier ligt 60 km. bovenstrooms Sintang. Op het moment dat Toon in de Ketungau begon te werken, zouden in dat gebied naar schatting 16.000 mensen hebben gewoond, bijna allen Dajaks. Als hoofdplaats van dit gebied werd Nanga Beloh gekozen. Toon bouwde er een eenvoudig hutje als pastorie en daarnaast een school met internaat. Hij werkte er met plezier vooral omdat de vooruitzichten gunstig waren. Al snel moest hij, niet al


































































































   72   73   74   75   76