Page 76 - geschiedenis
P. 76

62 SMM in Indonesië 1939-2005
2.- De Pinoh-landen. De Pinoh-rivier opvaren tot Kotabaroe. Met een motorboot is dat niet om te doen wegens de vele riams. Per prauw 31⁄2 dag of meer. Deze riams zijn echter niet zo gevaarlijk mits men vertrouwde roeiers gebruikt en men de nodige voorzichtigheid in acht neemt. De landweg naar Kotabaroe is 90 km lang. Vroeger was deze weg geschikt voor auto's die er inderdaad ook waren. Thans is hij veel vervallen en de bruggen zijn grootendeels weg. Hij wordt echter weder in orde gemaakt en de gezaghebber garandeert, dat de weg en de bruggen over twee jaren klaar zijn en geschikt voor auto's. Wel mogelijk, want honderden Dajaks, van 3,4 dagen reizen soms, worden opgeroepen om belasting te betalen en heerendiensten te verrichten. Langs de rivier en den weg wonen weinig Dajaks, wel aan de zijrivieren en boven Kotabaroe. Volgens zeggen moet het een goed soort zijn. Ze beginnen ook sawah's (bevloeide rijstvelden) te bewerken.
3.- De Kajan-streek. Kajan Oeloe (bovenstrooms) en Kajan Ilir (benedenstrooms). Volgens gezaghebber Appel zou de Kajan-rivier altijd tot Nanga Maoe te bevaren zijn. Dat is echter niet helemaal juist, tenminste niet per motor. Er zijn twee riams, die de doortocht bij lagen waterstand verhinderen. Dat was het geval, toen wij per prauw naar boven gingen en naar beneden kwamen. Met behoorlijk water zijn deze twee onder-districten zeker het gemakkelijkste te bereiken.
Te oordelen naar hetgeen ik zo links en rechts hoorde vertellen van andere streken en naar hetgeen ik zelf hoorde en zag van dit gebied, zijn de Dajaks van het Kajangebied nu juist niet van het beste soort. De Kajan-stam leeft voortdurend op gespannen voet met de Tebidah stam. Zij hebben nog geen verlangen naar ontwikkeling, beschaving of godsdienst. Sommige kinderen zijn op school geweest in Nanga Maoe en Nanga Tebidah, maar allemaal slechts heel kort, misschien enkele maanden. Verder hebben zij als verkeerde eigen- schappen, welke ook wel gemeen zullen zijn aan de andere stammen en in andere streken, dat ze veel drinken, gemakkelijk scheiden en geweldig onder den druk leven van pemali (de ge/verboden door/vanwege adat)."
Nadat Sintang een prefectuur geworden was, deed de gelegenheid zich voor om echt te beginnen in het Melawi gebied, namelijk op het moment dat enkele leiders van de Ot Danum-Dajaks naar Sintang kwamen en de missio- narissen uitnodigden om naar het bovenstrooms gebied van de Melawi te komen. Gehoor gevend aan deze uitnodiging, werd pater Jan Linssen gevraagd om een kennismakingstocht te maken naar dat gebied. Jan, op dat moment werkzaam in Putussibau, voelde er wel voor en maakte zich klaar om Putussi- bau te verlaten voor zijn observatietocht. Maar enkele strubbelingen, zoals de ziekte van pater Huub Reijnders, zorgden ervoor dat hij, later dan de bedoeling was, gehoor kon geven aan de oproep van Mgr. van Kessel. Uiteindelijk op 5 maart 1947 kon pater Jan vanuit Sintang richting Pinoh en Serawai vertrekken. In zijn dagboek schrijft hij:


































































































   74   75   76   77   78