Page 77 - geschiedenis
P. 77

Hoofdstuk 2 . Moeizaam begin v.h. diocees Sintang 1948-1958 63
"Met de Nirub voor Nanga Pinoh vertrekken wij, Lamat, z'n zoon en ik. Eerst gaat de boot aan de overkant liggen, aan de Chinese passar. Na lang wachten gaat hij eindelijk ervan door. 's Avonds bij 't eten komt een Chinees sajoer (groenten) brengen. Er is ook een soldatenfamilie aan boord, Soeradji en gezin. Deze brengt vlees en bananen. De volgende morgen koffie. De Voor- zienigheid begint al te werken".
Onderweg kwam Jan een katholiek tegen, Lothay genaamd, uit Nanga Pinoh. Deze meneer Lothay zou later Jan helpen met zijn reis naar het boven- strooms Melawi-gebied. Pater Linssen nam meneer Lamat met zich mee. Omdat Lamat, een Dajak uit Nanga Belimbing, bekend was met veel Dajaks en daarom Jan van dienst kon zijn. Op zijn beurt wilde meneer Lamat graag met pater Jan meegaan om als lid van de Dajak Partij, deze partij te promoten en ook omdat de vrachtboot, Nirub genaamd, zou aanleggen in Nanga Belimbing. Hij was al 15 jaar niet meer bij zijn familie geweest. En zo gebeurde het dat ze in Nanga Belimbing aan wal gingen. Lamat genoot zo van zijn familiebezoek dat ze de Nirub lieten vertrekken en daarna met een roeiboot vier uur lang moesten roeien naar het stadje Nanga Pinoh. In Pinoh maakte Jan nader kennis met meneer Lothay. Naar gewoonte las Jan zijn dagelijkse mis. Na de mis werd Jan voorgesteld aan de Chinezen van Pinoh en ook aan de controleur, meneer Lem- mens. Iedere dag las hij de mis op een andere plaats. Hij bleef in Pinoh tot ze, na lang zoeken, tegen 25 cent per dag een roeiboot konden huren voor hun tocht naar het bovenstrooms Melawi-gebied. Zo vertrokken in de vroege morgen met frisse moed Jan en zijn mensen richting Nanga Serawai. Na een volle dag roeien legden ze aan in Kebiboe om te overnachtten; daarna roeiden ze door en overnachtten achtereenvolgens in Ella Hilir, Ella Hulu, Menukung, Mentatai. Na 6 dagen peddelen kwamen ze uiteindelijk aan in Nanga Serawai waar ze verwelkomd werden door onderwijzer Tjawan en zijn zoon Klaudius.
Tjawan woonde in een dubbel huis en had als buurman Kamis, adathoofd van de Dajaks. Uit hoofde van zijn functie kende Kamis de streek op zijn duimpje en was bereid voor P. Linssen een reisschema te maken door de Serawai-rivier en de Lekawai-rivier. Pater Jan verbleef nog enige tijd in Serawai om Klaudius Tjawan - de latere manager op de zagerij van het bisdom – de gelegenheid te geven zijn eerste communie te doen op het feest van de H. Joseph. Pas daarna begon Jan Linssen, geholpen door 3 man, zijn tocht. Ze bezochten vele dorpen. Nadat ze Nanga Ambalau hadden bezocht kwamen ze op 26 april 1947 in Serawai terug. Na een rustpauze van enkele dagen reisden Jan en zijn mensen via Nanga Pinoh terug naar Sintang.
Op zijn tocht langs de dorpen van de Serawai en Lekawai rivier had pater Jan veel zieken verzorgd. Het was hem opgevallen dat zeer veel mensen leden aan framboesia, een tropische ziekte die pas overwonnen werd door de


































































































   75   76   77   78   79